Ik vertrouw mijn realisme steeds minder

BLOG

Ik vertrouw mijn realisme steeds minder

Soms zit mijn leven zo vol dat ik de horizon kwijtraak. Niet op een dramatische manier. Gewoon: afspraken. Mails. Lesgeven. Beslissingen. Snel even dit. En dan nog dat.

Dan kom ik na een lange dag buiten uit ons kantoor en heb ik een vreemd soort verrassing:

Ah ja. Buiten.

Er is lucht. Er staat wind. De zon schijnt nog ergens op. Mensen fietsen voorbij, onderweg naar plaatsen waar ik niets van weet. En heel even zie ik mijn eigen leven alsof ik ernaast sta. Dan komt soms die vraag:
 

Waar ben ík eigenlijk naartoe onderweg?

Begrijp me niet verkeerd: ik doe veel dingen graag. Mijn werk blijft me boeien. Ik ben de variaties op de thema’s van mijn leven nog lang niet beu. En toch is er af en toe een stemmetje dat zegt:

“Ik wil eens iets helemaal anders.”

Niet beter. Niet groter. Anders.

Soms weet mijn lijf het eerder dan mijn hoofd. Ik word rusteloos. Wil bewegen. Krijg zin om ergens naartoe te gaan zonder precies te weten waarnaartoe.

Misschien is dat een diep verlangen. Misschien gewoon vermoeidheid met filosofische ambities.

Meestal kijk ik wat dromerig in de verte, zucht eens diep, stap in de auto en rij naar het zwembad, dan de supermarkt, dan naar huis. Mijn existentiële vragen verdwijnen vaak samen met de vuile borden in de vaatwas.

Wanneer ik met mensen werk, denk ik soms dat ik hun muren kan zien. Niet letterlijk natuurlijk, maar ik hoor ze.

“Ik ben nu eenmaal iemand die…”

“Dat kan niet met mijn job.”

“Daar ben ik te oud voor.”

“Mijn partner zou dat nooit…”

“Zo doen we dat hier nu eenmaal.”

Zinnen die klinken als beschrijvingen van de werkelijkheid, maar die vooral verraden tot waar iemand nog kijkt – en reikt.
Mijn eerste reactie is dan dat ik mezelf behoorlijk slim vind omdat ik dat opmerk. Mijn tweede reactie is bescheidener en waarschijnlijk waardevoller:

 

 

Waar staan míjn muren?

Want natuurlijk heb ik ze ook. Ik vermoed zelfs dat ze voor anderen pijnlijk zichtbaar zijn.

Dat is het vervelende aan onze blinde vlekken: aan de binnenkant zien ze eruit als gezond verstand. Als ervaring. Als realisme. Als “zo is het nu eenmaal”.

En dat woord – realisme – ben ik de laatste tijd steeds minder gaan vertrouwen.

Want hoeveel van wat ik realistisch noem, is werkelijk een nuchtere – of zelfs optimistische – inschatting van wat mogelijk is? En hoeveel is gewoon autobiografie: dingen die ik heb meegemaakt en die ik vervolgens projecteer op wat er nog kan gebeuren?

Misschien zijn onze stevigste overtuigingen gewoon herinneringen die zich als feiten hebben vermomd.

Tegelijk wantrouw ik ook de andere kant.

Ik heb weinig met het idee dat je “alle beperkingen moet loslaten” of dat alles mogelijk wordt zodra je het maar hard genoeg wilt. Sommige grenzen zijn echt. Geld is echt. Tijd is echt. Vermoeidheid is echt. Kinderen, relaties, werk, verantwoordelijkheid: dat zijn niet zomaar kettingen waarvan we ons moeten bevrijden.

Sommige grenzen zijn zelfs precies de vorm die onze keuzes hebben gekregen.

Ik wil helemaal niet grenzeloos leven.

Maar er is wel een verschil tussen een grens waarvoor ik gekozen heb en een grens waarvan ik vergeten ben dat ik ze ooit zelf ben beginnen tekenen.

Dat verschil interesseert me.

En dus probeer ik mezelf af en toe een kleine reset te geven. Niet zo’n dramatische ik-gooi-mijn-leven-om-reset. Eerder eentje waarbij ik mijn eigen logica even niet helemaal vertrouw.

Mensen opzoeken die anders denken dan ik. Kijken naar levens die anders gebouwd zijn. Mijzelf op beperkende uitspraken betrappen. Iets durven benoemen waar ik normaal zou zwijgen. Een vraag stellen die een gesprek misschien een andere richting uitstuurt. Een verlangen hardop uitspreken vóór ik weet of het haalbaar is.
Niet om er meteen achteraan te rennen.

Eerst gewoon om het opnieuw denkbaar te maken.

We stoppen niet met dromen omdat we ouder worden. Onze dromen worden gewoon steeds beter in het gehoorzamen aan wat we al kennen.

Wat zou jij jezelf weer toestaan te willen, als je nog niet hoefde te weten hoe?